Uitvaartrituelen in het Jodendom

Er zijn vaak uitgebreide rituelen en tradities voor de zeven dichtsbijzijnde familieleden: de echtgenoot, moeder, vader, zoon, dochter, broer en zus.
Men steekt na het overlijden een bijzondere kaars aan naast het hoofd van de overledene. Spiegels worden bedekt. Alles wat met het alledaagse leven te maken heeft (eten, drinken, praten, bidden etc.) is verboden in de kamer, waar de overledene ligt. De familie of andere nabestaanden schakelen het joods begrafeniswezen in. Dit is de Chevra Kadissha. Zij brengen  de overledene naar de plaats van rituele wassing (tahara). Er wordt bij de overledene gewaakt tot de begrafenis. Meestal is er sprake van een begrafenis en niet van een crematie. De familie en vrienden komen op de begraafplaats bij elkaar in een ruimte waar ook de kist staat.
Het is traditie dat er een scheurtje wordt gemaakt in de kleding. Dit symboliseert een kleine traan (Keriah). Door een rabbi, familie of goede vrienden worden toespraken gehouden (elogie). Ook wordt het Kaddish, een oud gebed, gereciteerd in het Hebreeuws. Daarna wordt de kist naar het graf gebracht en wordt weer het kaddish gebed gereciteerd. Bij het verlaten van de begraafplaats worden de handen gewassen als symbool.

In de periode van rouw (aveloet) worden drie delen onderscheiden: de eerste week (sjiva), de dertig dagen van rouw (sjelosjiem) en de twaalf maanden van rouw na het overlijden van één van de ouders. De gebruiken kunnen plaatselijk verschillen. De rouwperiode begint zodra de overledene begraven is. Na het overlijden van vader, moeder, broer, zus, echtgenoot, echtgenote, zoon of dochter is men een rouwende (aveel). 

Vraag en antwoord

Stel je vraag aan de redactie en ontvang snel antwoord.

Volg ons ook op:

Jouw Troost voor Tranen profiel

Login met je e-mailadres en wachtwoord.
E-mailadres
Wachtwoord
Wachtwoord vergeten? Klik hier!

Nog geen account? Klik hier!

Sluiten